Begin 1959 braken in de Belgische kolonie Congo ernstige ongeregeldheden uit. De geschrokken Belgische regering besloot overhaast Congo onafhankelijkheid te verlenen, zonder de inheemse bevolking op de nieuwe verantwoordelijkheden voor te bereiden.
Onmiddellijk na de gehaaste soevereiniteitsoverdracht eisten de Congolese militairen in de Force Publique – die geleid werd door Belgische officieren en garant moest staan voor de handhaving van orde en gezag – betere promotiekansen, die hun door de Belgische commandant werden geweigerd. Het gevolg was muiterij, uitmondend in aanvallen op Europeanen, die daarop de vlucht namen. Hierdoor stortte het openbaar bestuur in elkaar. België intervenieerde om zijn staatsburgers te beschermen en de orde te herstellen. Dit was een schending van het vriendschapsverdrag dat België en Congo de dag voor de soevereiniteitsoverdracht hadden gesloten. De Congolese regering-Lumumba diende nog diezelfde 12e juli een klacht in bij de Verenigde Naties. De Veiligheidsraad stelde de United Nations Operation in the Congo (ONUC) in, die de Congolese regering militair moest bijstaan. Gaandeweg de operatie zouden de VN zich meer en meer gaan bemoeien met interne aangelegenheden in een poging om een oplossing van het voortslepende conflict te bewerkstelligen. Vooral de VN-acties van 1961 tot 1963 tegen de opstandige provincie Katanga gingen met veel geweld gepaard.
Het verloop van de operatie en het Nederlandse aandeel in UNOC
De Verenigde Naties moesten voor dure en hoogopgeleide specialistische troepen aankloppen bij de westerse landen. Nederland, dat over veel ervaring in de tropische geneeskunde beschikte, kreeg eind juli 1960 het verzoek twee ambulances, een chief medical officer (CMO) in de rang van majoor of luitenant-kolonel, vijf onderofficieren met de functie van hygiënist en een radioloog te leveren.
De ministerraad stemde, de readioloog uitgezonderd, op 27 juli 1960 in met dit verzoek. De arts kreeg na aankomst niet de verwachte CMO-functie maar een plaats als deputy CMO (DCMO) toegewezen. Reden voor het Ministerie van Defensie om de arts een jaar later niet te vervangen. De vijf onderofficieren werden belast met steunverlening op het gebied van de persoonlijke hygiëne van UNOC-militairen en de lokale bevolking. Zij werden allen uitgezonden voor de duur van een jaar. De Verenigde Naties achtten in juni 1963 vervanging van de derde groep van vijf hygiënisten niet noodzakelijk. De gezondheidszorg bleef echter een probleemgebied. Daarom vertrok op 28 april 1963 een veldhospitaal van het Nederlandse Rode Kruis naar Kongo. Het personeel keerde, vanwege de geleidelijke afbouw van UNOC op 29 oktober 1963 terug naar Nederland. De UNOC-missie zelf liep in 1964 af.
Bron: Nederlands Instituut voor Militaire Historie