Berichten in de categorie 'Religie'

10
februari
1962

Georgia, North Carolina en South Carolina afgesplitst van Aartsbisdom Baltimore

De Amerikaanse staten Georgia, North Carolina en South Carolina worden afgesplitst van het Aartsbisdom Baltimore en gevormd tot een zelfstandige Rooms-katholieke kerkprovincie met het Aartsbisdom Atlanta en het Bisdom Savannah in Georgia, het Bisdom Raleigh in Noord-Carolina en het Bisdom Charleston in Zuid-Carolina.

Bron: www.beleven.org

30
juni
1961

Brand van de St.Petrus Bandenkerk te Heesch

brand-van-de-st-petrus-bandenkerk-te-heesch

© Kaarten en prenten, Brabant-Collectie

Heesch heeft opvallend genoeg geen beeldbepalende dorpskerk met toren. De Petrus-Emmauskerk uit 1968 heeft maar een bescheiden torentje. Ongeveer op dezelfde plaats stond van 1868 tot 1962 echter een forse neogothische kerk, van de Roermondse architect Charles Weber. Een catastrofale brand in 1961 en twintigste-eeuwse minachting voor de neogothiek leidden tot de sloop.

Op vrijdag 30 juni 1961 is het warm weer. Om half 4 ’s middags zijn bouwvakkers van Aannemersbedrijf Muller bezig met herstelwerkzaamheden aan het Angelustorentje, 22 meter boven de grond. In de kerk leidt kapelaan Burghouts een gebedsdienst voor 100 bejaarden. Plotseling een kreet van één van de arbeiders: brand in de dakgoot! Was de oorzaak een sigarettenpeuk? Of een stukje glas dat dankzij de felle zon werkte als een brandglas? Men is er nooit achter gekomen.

Onmiddellijk wordt groot alarm geslagen. Terwijl de brandweerkorpsen uit de omliggende gemeenten onderweg zijn, verlaten de bejaarden de kerk, met de schrik in hun hart, maar zonder paniek. Kapelaan Burghouts brengt enkele kostbaarheden in veiligheid.

Op de rijksweg, die pal langs de kerk loopt, ontstaat een verkeerschaos. Honderden mensen staan te kijken. Onder de toeschouwers is pastoor Van Uden, die naar Berghem was gereden om te gaan biechthoren. Bij aankomst daar werd hij ingelicht over de ramp, waarna hij meteen was teruggereden. Allen moeten machteloos toezien hoe het kerkdak uitbrandt.

Ook de brandweerlieden kunnen er weinig aan doen, want er staat niet genoeg druk op het water om zo hoog te kunnen blussen. Even na vijf uur komt met luid gekraak en in een regen van vonken de torenspits naar beneden. Bisschop Bekkers, die inmiddels ook is gearriveerd, is er getuige van.

Uiteindelijk brandden alleen de torenspits en het kerkdak uit. De rest van het gebouw bleef overeind. Het is zeer de vraag of na een dergelijke brand tegenwoordig een kerk van die kwaliteit ook zou zijn gesloopt, maar dat is wat er daarna in Heesch gebeurde: in 1962 wordt de toren met behulp van dynamiet opgeblazen. Terwijl de toren begon om te vallen, sloegen de klokken in hun val nog één keer. Wim Kuijpers was daarbij en noemt het een kippevelmoment: om nooit meer te vergeten.

Bron: bhic.nl, thuisinbrabant.nl

27
juni
1960

Van Dodewaard volgt Huibers op als bisschop

Joannes Antonius Eduardus van Dodewaard (Arnhem, 7 juni 1913 – Haarlem, 9 maart 1966) was rooms-katholiek bisschop van het Bisdom Haarlem in de periode 1960-1966.

Mgr. Van Dodewaard werd op 11 juli 1938 tot priester gewijd. Kort daarna ging hij naar Rome om bijbelwetenschappen te studeren. Van 1948–1958 doceerde hij bijbelwetenschappen aan het Grootseminarie te Warmond.

In 1958 werd hij benoemd tot coadjutor van het bisdom Haarlem. Op 27 juni 1960 volgde hij mgr. J.P. Huibers op als bisschop. Van Dodewaard was een voorvechter van de vernieuwing van de kerk door het lekenoverleg. Hij had plannen voor het oprichten van een bisdomsraad waarin hij ook niet-katholieken willen betrekken. Na zijn plotselinge overlijden (52) in 1966 werd hij opgevolgd door T.H.J. Zwartkruis.

Bron: Wikipedia

5
april
1960

Zoungrana benoemd tot aartsbisschop van Ouagadougou

Paul Zoungrana (Ouagadougou, Frans West-Afrika, (het tegenwoordige Burkina Faso), 3 september 1917 – aldaar, 4 juni 2000) was een Burkinees geestelijke en kardinaal van de rooms-katholieke kerk.

Zougrana studeerde filosofie en theologie in Pabré en Rome en sociale wetenschappen aan de Sorbonne in Parijs. Hij werd op 2 mei 1942 tot priester gewijd. Hij werkte vervolgens als pastoor in zijn geboorteland en trad in 1948 toe tot de Sociëteit voor de Afrikaanse Missies. Vervolgens studeerde hij nog enkele jaren in Rome om daarna professor te worden aan het seminarie van Koumi. In die tijd (1959-1960) was hij ook directeur van het centrum voor Sociale Informatievoorziening in Ouagadougou.

Op 5 april 1960 benoemde Paus Johannes XXIII hem tot aartsbisschop van Ouagadougou. Als zodanig nam hij deel aan het Tweede Vaticaans Concilie. Tijdens het consistorie van 22 februari 1965 werd hij door Paus Paulus VI verheven tot kardinaal. De San Camillo de Lellis werd zijn titelkerk. In 1995 ging hij met emeritaat.

Zougrana gold als een voorstander van het zoeken van verbinding tussen de tradities van de Afrikaanse cultuur en de riten van de katholieke kerk. Hij nam als kieskardinaal deel aan de conclaven van augustus en oktober 1978. Vooral tijdens dat laatste conclaaf werd hij gezien als aanvoerder van de Derde Wereld-kardinalen.

Bron: Wikipedia

28
maart
1960

Alfrink tot kardinaal gecreëerd

Bernardus Johannes Alfrink (Nijkerk, 5 juli 1900 — Nieuwegein, 17 december 1987) was een Nederlands aartsbisschop, kardinaal en metropoliet.

Tijdens het consistorie van 28 maart 1960 creëerde paus Johannes XXIII Bernardus Johannes Alfrink kardinaal. Sommigen hadden deze verheffing eerder verwacht, maar aannemelijk is dat paus Johannes pas in de loop van zijn korte pontificaat realiseerde dat het hem vrij stond om het tot dan toe maximaal toegestane aantal kardinalen (70) te overschrijden.

Bron: Wikipedia

23
maart
1960

Sterfdag Said Nursi

Said Nursi (Nurs, 1876 – Şanlıurfa, 23 maart 1960) was een Turks-Koerdisch islamgeleerde uit het Osmaanse Rijk. Daarnaast schreef hij ongeveer 130 verhandelingen (de Risale-i Nur-collectie) over de Koran, die in 27 talen zijn vertaald.

Jeugd

Said Nursi werd in 1876 geboren als kind van Koerdische ouders in het dorpje Nurs in de Oost-Turkse provincie Bitlis. Zijn vader behoorde tot een vooraanstaande familie. Tot negenjarige leeftijd kreeg Said Nursi onderwijs van zijn ouders. Daarna werd hij naar verschillende madrassa van de oelema uit de omgeving gestuurd. Hier leerde hij in korte tijd de klassieke islamitische lessen uit zijn hoofd en ontving de titel Moellah. Dit wekte verbazing en waardering op van de islamitische geleerden. Hierdoor kreeg hij uiteindelijk ook de titel “Bediüzzaman”, oftewel ‘de mooie van deze tijd. Hij deelt zijn leven zelf in in twee delen: de periode van de Oude Said, van zijn eerste bezoek aan Istanboel in 1907, tot aan de Eerste Wereldoorlog. De periode van de nieuwe Said is van zijn verbanning naar Barla in 1926 tot aan zijn dood in 1960. In de tussenliggende periode is hij vooral met zichzelf bezig.

De periode van de ‘Oude Said’ (tot 1926)

Vanwege zijn grote kennis over de islam werd hij uitgenodigd door de gouverneur van de stad Van om naar zijn stad te komen. Hier kwam hij in contact met moderne wetenschappen en leerde hij Turks spreken. Hierdoor kwam hij op het idee, dat er er scholen geopend moesten worden die gelijktijdig zowel de godsdienstige als ook de moderne wetenschappen zouden onderwijzen. In het boek Münazarat (de Debatten) gaat hij hierop in.

In Van hoorde hij, dat de toenmalige Britse Minister van Koloniën, Gladstone de koran niet samen zag met vrede. Said Nursi wilde het tegendeel bewijzen en aan de wereld laten zien, dat de koran een “altijd aanwezige spirituele zon zou zijn”. Dit moment is een omslagpunt in zijn leven gebleken. Hij besloot dat de enige manier om het tegen de ongelovigen (het Europa, dat eropuit was om het Ottomaanse Rijk omver te werpen) op te nemen, was door de moslims zo sterk op te leiden in brede zin, dat ze het Westen zouden overklassen, zowel in intellectuele, als spirituele aard.

In 1907 ging Said Nursi naar Istanboel. Hij wilde zijn naam vestigen als kenner van de islam en hing een briefje op de deur met de tekst: “Alle vragen over de wetenschap en het geloof worden hier beantwoord”. Volgens hemzelf had hij overal antwoorden op, omdat hij in zijn dromen de vragen al had gezien. In Istanbul zocht steun om in Van en Diyarbakır een leerschool te stichten, de Medresetü’z-Zehra-universiteit.

Op 31 maart 1909 werd Said Nursi gearresteerd en moest hij verschijnen voor de rechter. Hij werd beschuldigd van deelname in de revolutie tegen het Ottomaanse Rijk. Hij werd echter vrijgesproken.

Hierna keerde Said Nursi terug naar Istanboel om nogmaals steun te vragen voor zijn universiteit in het Oosten. Hij overtuigde de sultan dat Oostelijk Anatolië, als centrum van de Islamitische wereld, een grotere behoefte aan een universiteit had. Zijn verzoek werd gehonoreerd en het project werd gestart. Kort hierna brak echter de Eerste Wereldoorlog uit en moest het project weer worden gestopt. Said Nursi en zijn studenten bewapenden zich en sloten zich aan bij het leger. Said Nursi kreeg de leiding over de militiekrachten.

Tijdens de aanval van de Russen op Anatolië, hielden Said Nursi en zijn studenten in Gevaş de Russen tegen zodat de vluchtende mensen en hun families niet in Russische handen zouden vallen. Toen de Russen Van en Bitlis bezetten, wisten Said Nursi en zijn studenten dertig grote kanonnen uit de handen van de Russen te houden en verhinderden zo dat Bitlis veroverd zou worden. Voor zijn bijdrage aan de oorlog werd hem bij aankomst, op aanbeveling van het leger, een medaille toegekend. In Bitlis viel Said Nursi in een waterbuis en brak zijn enkel, na 33 uur werd hij gevangengenomen door de Russen en naar een concentratiekamp in Kostroma aan de Rivier de Wolga gestuurd, waar hij twee jaar verbleef.

Na twee jaar gevangenschap wist Said Nursi te ontsnappen en keerde terug naar Istanbul. Daar kreeg hij een aanstelling bij de Darü’l-hikmeti’l-Islamiye, een vraagbaak bestaande uit de hoogste geleerden. Zijn benoeming tot de rang van Mahrec werd verordend door de Kalief.

Na de bezetting van Istanbul door de Britten, kwam Said Nursi in opstand tegen de bezetting. Hij verwoord zijn mening hierover in de Zes Stappen (Hutuvat-ı Sitte). Het nieuwe Turkse parlement merkte deze opstand op en nodigde Said uit om de nieuwe minister van religie onder Kemal Atatürk te worden. Hij weigerde echter, waardoor hij zich verwijderde van Atatürks gedachtegoed.

De periode van de ‘Nieuwe Said’ (1926-1950)

Er ontstonden steeds meer problemen tussen Said Nursi en de seculiere politiek van Turkije onder Atatürk. Uiteindelijk werd besloten om Said te verbannen, eerst naar Burdur, later naar Isparta en uiteindelijk naar het verafgelegen dorp Barla. Hier ligt het begin van de Risale-i Nur boeken (letterlijk ‘brief van het licht’). Deze boeken werden geschreven om de gelovige mensen bij te staan en aan te moedigen in hun geloof.

In 1934 werd hij overgeplaatst van Barla naar Isparta. Op 27 april 1935 werd hij daar gearresteerd wegens het beramen van plannen om de regering omver te werpen en samen met 120 van zijn studenten overgebracht naar Eskişehir. Hier werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van elf maanden. Daarnaast werden vijftien van zijn studenten veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf.

Op 27 maart 1936 werd Said Nursi overgeplaatst naar Kastamonu. Daar werd hij onder streng toezicht geplaatst en in ballingschap gehouden.

Op 20 september 1943 werd Said Nursi samen met 120 van zijn studenten overgeplaatst van Kastamonu naar het Gerechtshof van Denizli. Hier werd hij berecht voor het organiseren van een geheime beweging en het oprichten van een Soefibeweging. Zijn werken werden in detail onderzocht door een commissie van deskundigen, wat leidde tot een vrijsprekend rapport.
Op 16 juni 1944 oordeelde het Hof van Denizli tot vrijspraak van iedereen. Op 30 december 1944 werd dit in hoger beroep bekrachtigd en werd de zaak gesloten. Echter deze uitspraak liet negen maanden op zich wachten en in deze periode werd Said Nursi enkele malen vergiftigd.

Na zijn vrijspraak in juni verbleef Said Nursi nog twee maanden in het Denizli Şehir Hotel. Echter op bevel van Ankara werd hij in augustus naar Emirdağ gestuurd. In Emirdağ werd Nursi onder constant toezicht geplaatst en werd hij belet contact te hebben met zijn bezoekers.

Op 23 december 1947 werd Said Nursi in Emirdağ gearresteerd en belande hij in de gevangenis van Afyon. Op 6 december 1947 werd hij op basis van zwak bewijsmateriaal door het Arrondissement van Afyon veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig maanden. De rechtszaak werd vervolgens in hoger beroep behandeld, welke besliste dat “aangezien de vrijspraak voor de zelfde tenlastelegging door het Hof van Denizli is bekrachtigd, dan noch kan dezelfde rechtszaak niet opnieuw behandeld worden.” Desondanks besliste het Arrondissement van Afyon het opnieuw te proberen. De gedaagden eisten dat het besluit van het Hoger Beroep werd aangehouden, maar op voorwendsel van de voltooiing van sommige fouten in de vorige rechtszaak, begon het Arrondissement opnieuw met een onderzoek. Uiteindelijk werd Said Nursi op 20 september 1949 ontslagen van de gevangenis in Afyon.

De periode van de ‘Derde Said’ (1950-1960)

Op 20 november 1949 ging Said Nursi voor de tweede keer naar Emirdağ. Ongeveer twee jaar bleef Said Nursi in Emirdağ. Tot 1950 had hij geen toestemming om vanaf zijn verplichte woonplaats ook maar ergens naar toe te gaan. In 1951 ging hij naar Eskişehir en verbleef anderhalve maand in het “Yıldız” Hotel. Daar hield hij lezingen aan de studenten van de Risale-i Nur. Daaropvolgend ging hij naar Isparta, waar hij ongeveer twee en een halve maand verbleef en toen naar Istanboel werd geroepen voor de rechtszaak van zijn werk “Gençlik Rehberi”, Leidraad voor de Jongeren. In januari 1952 kwam hij aan in Istanboel.
Een aantal studenten van de Risale-i Nur hadden in Istanboel de Leidraad voor de Jongeren gedrukt en daardoor werd Said Nursi, in het kader van Artikel 163 van het strafrecht, aangeklaagd. De rechtszaak werd gehouden in het Gerechtshof van Istanbul. Said Nursi zelf presenteerde een schitterende verdediging, net zoals zijn drie advocaten. Bij de tweede hoorzitting, op 5 maart 1952, besliste het hof dat de gedaagden vrijgesproken werden. Kort daarna keerde Said Nursi terug naar Emirdağ. In de zomer van het volgende jaar, 1953, ging hij naar Isparta. In Isparta huurde Said Nursi een huis en samen met vier of vijf van zijn studenten veranderden zij het in een leerschool ook wel ”Medrese-i Nuriye” genoemd.

Ondertussen liep de rechtszaak in Afyon door en uiteindelijk duurde deze acht jaar. In hoger beroep vernietigde het Hof van Afyon de inbeslagname van alle exemplaren van de Risale-i Nur. Naar aanleiding van dit besluit werd er weer een nauwkeurig onderzoek gestart. De commissie van deskundigen, die bestond uit leden van de Adviserende Raad van het Directoraat van Godsdienstige Zaken, kwamen hierop weer met een positief rapport. Uiteindelijk besliste het Gerechtshof van Afyon dat de boeken aan hun eigenaars teruggegeven moesten worden.

Zodoende werd in 1958 de Risale-i Nur voor het eerst officieel in Ankara gedrukt. Eerst verscheen “Sözler” (de Woorden), “Mektûbat” (de Brieven), “Lem’alar” (de Flitsen), ”Tarihçe-i Hayat” (de biografie van Said Nursi) en uiteindelijk werden alle delen van de Risale-i Nur gedrukt. Eerst in Ankara en vervolgens ook in Istanboel. Met toestemming van de overheid konden de boeken voortaan vrij gedrukt en verkocht worden. Said Nursi zei op dit gelukkige moment: “Dit is te beschouwen als een feestdag voor de Risale-i Nur. Nu ben ik gelukkig en ben ik bereid om naar het hiernamaals te vertrekken.”

Na 25 jaar bezocht Said Nursi opnieuw Barla, het dorp waar de Risale-i Nur voor het eerst werd geschreven.

In 1959, op verzoek van zijn studenten, bezocht Said Nursi Ankara en verbleef daar drie dagen in het “Beyrut Palas Hotel”. Hij riep zijn belangrijkste studenten bijeen en gaf hen zijn laatste instructies. Een paar maanden later ging hij opnieuw naar Ankara. Dit keer werd hij bezocht door vele afgevaardigden van de Nationale Assemblage, die hem, vanuit islamitisch standpunt, om raad vroegen. Twee maanden later bezocht hij Istanboel, maar verbleef daar niet lang. In februari 1960, ging hij opnieuw naar Ankara. Maar de toen contra-islamitische regering hield hem tegen en liet Said Nursi omkeren. Said Nursi betreurde het besluit en keerde terug naar Emirdağ. Tenslotte reisde hij naar Isparta om enkele dagen later te beginnen aan zijn laatste reis naar Urfa. In de nacht van 23 maart 1960, overleed Said Nursi.

Op 12 juli 1960 werd zijn graf geopend en zijn lichaam per vliegtuig overgeplaatst naar een onbekende plek.

Bron: Wikipedia

19
maart
1960

Groot-seminarie van de Witte Paters wordt Pontificio Istituto Superiore di Studi Orientali

Het Pauselijk Instituut voor Arabische en Islamitische Studies, of Pontificio Istituto di Studi Arabi e d’Islamistica, meestal afgekort tot P.I.S.A.I. of PISAI, is een rooms-katholiek, bij de Romeinse Curie aangesloten Instituut dat tot doel heeft het onderwijzen van de Arabische taal en de islamitische godsdienst en cultuur, ter bevordering van een vruchtbare dialoog tussen christendom en islam.

Het Instituut werd in 1926 te Tunis opgericht door de Afrikaanse Witte Paters met het oog op de training van missionarissen. In de begintijd was het nog niet onafhankelijk: tussen 1926 en 1949 vormde het een onderdeel van het Institut des Belles Lettres Arabes (IBLA) in Tunesië.

In 1949 werd het Instituut onafhankelijk en verhuisde het naar La Manouba, een buitenwijk van Tunis. Het instituut werd toen Groot-seminarie van de Witte Paters genoemd. Op 19 maart 1960 werd de status meer officieel, werden de diploma’s erkend en veranderde de naam van het instituut in Pontificio Istituto Superiore di Studi Orientali.

In juli 1964 verhuisde het Instituut naar Rome, als gevolg van nieuwe afspraken tussen de Heilige Stoel en de Tunesische autoriteiten en als gevolg van nationalisatie van grondgebied dat aan buitenlanders toebehoorde. In zijn encycliek Ecclesiam Suam ontvouwde Paus Paulus VI een programma voor de dialoog met niet-christenen, dat een ondersteuning betekende voor de taken van het Instituut.

Dankzij de persoonlijke belangstelling van Paulus VI kreeg het Instituut in 1967 onderdak in Palazzo dell’Apollinare. In 1981 kreeg het Instituut zijn huidige naam: Pontificio Istituto di Studi Arabi e d’Islamistica. Het Instituut verhuisde in 1990 naar Palazzo Mastai.

Sinds 2006 is Miguel Ángel Ayuso Guixot, MCCI, rector van het Instituut.

Bron: Wikipedia

11
februari
1960

Oprichting St. Joris-parochie

Op 11 februari 1960 heeft de toenmalige bisschop van Rotterdam, mgr. Jansen besloten de St. Joris-parochie op te richten. Door dit besluit hadden de katholieken in Ridderkerk voor het eerst sinds de Reformatie weer een eigen parochie. Daarvoor gingen ze voor het bijwonen van de mis naar de St. Theresia-kapel aan de Donckselaan in Bolnes.

Bron: dé Weekkrant

30
januari
1960

Albert Bolle tot priester gewijd

Albert Bolle is in 1933 geboren in Schiplaken, als zoon van Jan Bolle en Margaretha Denys. Zijn vader was boswachter in “het goed” van Terlinden. Hij deed zijn middelbare studies deels in het Mechelse Sint-Romboutscollege, deels in het Antwerpse Sint-Jan-Berchmanscollege.

In het laatste jaar van zijn humaniora groeide het idee om missionaris te worden. Na het scoutskamp op Merkenveld (nabij Brugge) meldde hij zich in 1953 in Boechout bij de Witte Paters. Albert Bolle stak de oceaan over en voltooide zijn priesterstudies in Canada. Op 30 januari 1960 werd hij in Ottawa door de aartsbisschop tot priester gewijd. Zijn “eremis” thuis, in Schiplaken, draaide uit op een waar volksfeest. Albert was de trots van het dorp.

Maar hij bleef niet lang in Vlaanderen. Op 17 november vertrok hij met een vliegtuig van Sobelair naar Tanzania. Via de hoofdstad Dar es Salaam zette “den Bollee” – zoals de zwarten hem al gauw noemden – zijn eerste stappen in zijn missiegebied. Hij verbleef in tal van kleine nederzettingen, leerde de taal van de plaatselijke bevolking, bouwde kerkjes en scholen, dispensaria en hospitalen. Maar ook het apostolaat nam een belangrijke plaats in.

Bron: Bollé Bollé

10
januari
1960

Ingebruikname Gods Werkhof

Op zondag 10 januari 1960 werd het slotklooster Gods Werkhof in Werkhoven in gebruik genomen. Dertien jonge religieuzen gingen die dag vrijwillig achter slot en zouden de rest van hun leven doorbrengen in afzondering, door tralies gescheiden van de rest van de wereld. Gods Werkhof werd het laatste slotklooster dat in Nederland gebouwd zou worden.

Bron: ‘t Groentje